Home Page Image

Reageren? Opmerkingen, vragen of suggesties hoor ik graag hier.

 

Open brief aan premier Balkenende

11 juni 2007

Geachte heer Balkenende,

Hoewel ik in mijn leven nog nooit op u of uw partij heb gestemd richt ik mijn betoog tot u.

Kort na de Tweede Wereldoorlog kende Nederland ongeveer 150 duizend overheidsdienaren; mensen in overheidsorganisaties en organisaties die voor een belangrijk deel met publiek geld werden gefinancierd. Omdat de maatschappij weer opgebouwd moest worden, groeide het aantal mensen dat zich op de publieke zaak richtte in rap tempo. Thans werken er circa 950 duizend mensen bij wat we het kort kunnen aanduiden als ‘de overheid’. Dat de stijging van het aantal bij ‘de overheid’ betrokken mensen niet overal en altijd heeft geleid tot meer kwaliteit in onze samenleving is al door heel veel mensen en al heel lang betoogd. Er zijn al heel veel voortreffelijke analyses gemaakt over het niet-functioneren van de overheid, over prijs en kwaliteit van het product ‘overheid’. Hoewel er talloze voorbeelden zijn voor dit gegeven kies ik twee instanties uit het domein van de overheid, te weten de politie en de belastingdienst.

Hoewel de politie in de ogen van de meeste mensen primair zorg zou moeten dragen voor de veiligheid van burgers, blijft deze taak in de ogen van veel mensen grotendeels onvervuld en richt men zich eigenstandig op een andere activiteit, namelijk het binnenhalen van financiŽle middelen met het bekeuren van snelheidsovertredingen; middelen die dan weer gedeeltelijk in de vorm van bonussen terugvloeien naar de korpsen. Op een razzia-achtige manier en met een buitenproportionele inzet van mensen en middelen wordt jacht gemaakt op snelheidsovertreders. Het is dus niet zo vreemd dat mensen zich afvragen wie nu eigenlijk als crimineel wordt bestempeld: iemand die tien kilometer per uur te hard rijdt of bijvoorbeeld iemand die, samen met anderen, een voetbalstadion verbouwd. De politie wordt geassocieerd met verkeerscontroles en niet met veiligheid in het algemeen of verkeersveiligheid specifiek.

Het tweede voorbeeld dat ik van het falen van de overheid zou willen noemen is de belastingdienst die thans in nauwe samenwerking met het UWV met een onwaarschijnlijke verbetenheid op zoek is naar onregelmatigheden in met namen het midden- en kleinbedrijf. Zou men zich daarbij richten op louche bedrijven dan zou niemand daar bezwaar tegen kunnen hebben, maar men richt zich steeds vaker op bonafide bedrijven die volledig te goeder trouw handelen, maar waar altijd wel iets te vinden is als je maar lang genoeg zoekt.

Het lijkt of deze beide instituties, politie en belastingdienst, zich buiten en tegenover de maatschappij plaatsen. Zowel de politie als de belastingdienst heeft haar oorspronkelijke ‘doelgroep’ gewijzigd, primair om gemakkelijker meer financiŽle middelen binnen te halen. Politici zijn vaak onwetend van deze praktijk of sluiten hun ogen voor deze realiteit, althans weigeren in te grijpen. Zolang politici niet ingrijpen, bepalen deze organisaties zelf de prioriteiten.

Ik laat andere voorbeelden van terreinen waarop dit onvermogen van de overheid zich openbaart maar even buiten beschouwing, zoals het dagelijkse fileleed, de exhibitionistische zelfverrijking bij openbare nutsorganisaties en publieke omroepen, de aanpak van de criminaliteit, de uitval in het onderwijs, de ‘verrommeling’ van onze publieke ruimte.

Zoals gezegd zijn er al heel veel voortreffelijke analyses gemaakt van dit overheidsfalen. De eerste signalen voor een hervorming van ons binnenlands bestuur om zodoende ons openbaar bestuur beter te equiperen teneinde maatschappelijke problemen aan te pakken, dateren al uit 1978 toen Hans Wiegel minister van Binnenlandse zaken was, toch niet bepaald een politicus die als revolutionair te boek stond.
In 1998 constateerde de scheidend directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Prof. Dr. A. van der Staay over de betrokkenheid van de mensen die in dienst van de overheid werken: ‘het lijkt bijna alsof mensen er niet toe doen, alsof de persoonlijke verantwoording er niet toe doet’.
Toch hebben al die voortreffelijke politieke en maatschappelijke analyses, overigens veelal door niet-politici, er nooit toe geleid dat ‘de politiek’ een besluit nam over de wenselijkheid c.q. noodzaak om ons openbaar bestuur te hervormen, laat staan dat politici daar ook uitvoering aan zouden geven. Blijkbaar missen politici de durf, de ambitie en de visie om dit aandachtspunt, dat door heel veel burgers als een groot probleem wordt ervaren, aan de orde te stellen.
Onbegrijpelijk; niet alleen omdat de kwaliteit van onze samenleving hiermee in het geding is, maar evenzeer vanwege de mogelijkheden die het aanpakken van dit probleem met zich meebrengt voor een verdere groei van onze gezamenlijke welvaart. Zo worden we dagelijks geconfronteerd met berichten dat er een tekort is aan vakmensen zijn in allerlei sectoren, zoals de industrie, de verpleging en de transportsector. Het is beschamend dat de grenzen moeten worden opengesteld om aan arbeidskrachten te komen die de meest elementaire en vaak eerbiedwaardige werkzaamheden kunnen verrichten; werkzaamheden die wij in termen van beloning zo slecht waarderen, dat er in Nederland geen mensen meer voor te vinden zijn. We betalen liever € 907.000 aan de directeur van een nutsorganisatie dan € 40.000 aan een toegewijde verpleegster. Het wordt tijd dat wij ook ons beloningssysteem eens tegen het licht houden.

Wat zou het fantastisch zijn als we een substantieel deel van de mensen die in het publieke domein werkzaam zijn kunnen transformeren naar de private sectoren. Het lost twee problemen tegelijkertijd op. Op de eerste plaats de overvloed aan mensen in de publieke sector; op de tweede plaats het tekort aan mensen in de private sector. Stel dat we er in slagen om elk jaar, tien jaar lang, 50 duizend mensen per jaar te transformeren naar de private sector, dan zou er in geen enkele sector meer een tekort zijn aan beschikbare menskracht. Bovendien zou de prijs van het ‘product overheid’ waarschijnlijk in de buurt komen van wat mensen als redelijk beleven en zouden politici en bewindslieden veel meer ruimte hebben om ‘nieuw beleid’ te ontwikkelen. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Toch is en zal er veel weerstand zijn tegen een dergelijke operatie. ‘Politiek links’ vat elke reorganisatie van de overheid op als een aanval op de verzorgingsstaat, ook al zou die hervorming tot een verbetering van de positie van sociaal zwakkeren in onze samenleving leiden. ‘Politiek rechts’ heeft nooit de moeite genomen om een integrale visie over onze overheidsorganisatie te ontwikkelen, omdat ze denkt mono-thematisch electoraal meer succes te kunnen behalen, hetgeen voor een belangrijk ook nog klopt.

Ik richt mij tot u, omdat u de enige bent die dit onderwerp belangrijk genoeg kan maken. Aangezien de reorganisatie van onze overheid, zoals ik die hiervoor geschetst heb meer is dan het ontslaan van een paar rijksambtenaren, is het van groot belang dat de uitvoering niet wordt overgelaten aan een ambtenaar, maar door iemand ter hand wordt genomen die gezag geniet in alle kringen en die al eerder een klusje voor u en Nederland heeft geklaard: Herman Wijffels. Dat klusje bij De Wereldbank kan wel even wachten; deze majeure operatie in Nederland niet. Als u deze ‘VOC-mentaliteit’ toont zal ik niet alleen de rest van mijn leven op u en uw partij stemmen, maar zult u zich echt een ‘jongen van Jan de Wit’ tonen en Nederland in een volgende Gouden Eeuw loodsen.

John Boersma