Home Page Image

Reageren? Opmerkingen, vragen of suggesties hoor ik graag hier.

 

De organisatie van onze overheid moet op de schop

Column 15 maart 2006

Nu de stofwolken van de gemeenteraadsverkiezingen zijn opgetrokken is het tijd om de balans op te maken. De PvdA en de SP hebben fors gewonnen, de regeringspartijen hebben verloren. Ieder der partijen heeft zijn eigen verklaring voor het verlies c.q. de winst. De partijen van de regeringscoalitie schrijven het verlies toe aan het feit dat men harde, impopulaire maatregelen heeft moeten nemen om de economie weer gezond te maken en dat de kiezer nog niet de kans heeft gekregen van ‘het zoet’ te profiteren.

De vraag die bij mij op komt is of de oppositiepartijen een ander beleid zouden hebben gevoerd in de afgelopen jaren en of het resultaat van dat eventueel afwijkende beleid ook anders zou zijn. Er zijn namelijk economen die beweren dat het niet of slechts in zeer beperkte mate mogelijk is de economische situatie van ons land te beïnvloeden, met als motivatie dat Nederland een zeer ‘open economie’ is. Niet alleen is dat grotendeels onjuist, zoals ik na zal motiveren, het is uitgaande van die veronderstelling bovendien niet erg motiverend voor een kabinet om een eigen beleid te voeren.

Om de bovengestelde vraag te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk in de organisatie van onze overheid te duiken. In Nederland zijn circa 950 duizend mensen actief in wat we onze overheidsorganisatie noemen. Die overheidsorganisatie bestaat uit de Rijksoverheid met haar ministeries, de provinciale en gemeentelijke overheden en allerlei organisaties en instituten die in hun financiering grotendeels afhankelijk zijn van de toewijzing van publieke middelen. Een groot deel van deze tientallen miljarden euro’s ligt vast in de vorm van salarissen. Ministers klagen wel eens dat 98 procent van het budget waarover zij kunnen beschikken vastligt en zij dus eigenlijk niets anders kunnen doen dan het beleid van de voorganger te continueren, zonder zelf nieuw beleid te kunnen maken. Dat geldt ook voor de besluitvormers op andere overheidsniveaus. Wil je als kabinet, College van Gedeputeerde Staten of College van Burgemeester en Wethouders een wezenlijk ander beleid voeren dan je voorgangers dan zul je dus die speelruimte moeten oprekken. Gezien het enorme beslag dat salarissen leggen op de totale publieke middelen is die speelruimte slechts te vergroten door in de ambtelijke organisatie van de overheid te snijden. In de afgelopen twintig jaar hebben we gezien dat het totale budget dat met de overheid gemoeid gaat vrijwel gelijk is gebleven. Toch hebben we in de afgelopen decennia regeringen gezien van uiteenlopende politieke signatuur. De neiging is groot uit te concluderen dat het dus niet uitmaakt welke kleur politieke besluitvormers hebben. Blijkbaar hebben politieke besluitvormers niet de durf of de wil om de speelruimte aanmerkelijk op te rekken om daarmee kleur te geven aan de politieke idealen.

Zouden de PvdA en de SP wel de bereidheid hebben gehad om fundamenteel in de overheidsorganisatie te snijden om zich zodoende de gewenste speelruimte voor nieuw beleid te verschaffen? Ik vrees dat het antwoord ontkennend moet zijn. Waarschijnlijk zouden de beide oppositiepartijen de bestaande welvaart, lees de beschikbare middelen, anders verdeeld hebben tussen de burgers. De consequentie daarvan zou hoogstwaarschijnlijk zijn dat er minder maatschappelijke onvrede zou zijn en dat een kabinet van die politieke signatuur op een breder maatschappelijk draagvlak zou kunnen rekenen. Hoewel ik niets af wil doen aan het maatschappelijk en daarmee ook economisch belang van een breed maatschappelijk draagvlak voor een gevoerd of te voeren kabinetsbeleid ben ik geneigd te concluderen dat de oppositiepartijen geen wezenlijk ander resultaat zouden boeken voor de totale maatschappelijk welvaart. Nederland zou er internationaal waarschijnlijk niet anders voorstaan dan ze nu doet. Om nieuw beleid te maken is een wezenlijke mentaliteitsverandering nodig van politieke besluitvormers. Ander, nieuw beleid is slechts mogelijk indien diezelfde besluitvormers de moed en de bereidheid hebben diep in de overheidsorganisatie te snijden. Dat hoeft overigens geenszins ten koste te gaan van een rechtvaardige verdeling van de welvaart, hoezeer dat door mensen van vooral sociaal-democratische signatuur ook verondersteld wordt. Waarom zou een ministerie met drie duizend ambtenaren niet hetzelfde doel kunnen realiseren met duizend personeelsleden? Waarom zou een provinciale overheid niet een beter maatschappelijk resultaat kunnen boeken met twee honderd mensen in plaats van met vijf honderd ambtenaren? Een kleine overheidsorganisatie met competente en gedreven mensen zou wel eens veel beter in staat kunnen zijn de gekozen doelstellingen te realiseren. Dat vereist echter heldere keuzes van politici op lokaal, provinciaal en landelijk niveau. Met het geld dat vrijkomt uit het reorganiseren van onze overheidsorganisatie kunnen vervolgens echte politieke keuzes gemaakt worden die bijdragen aan de totale maatschappelijke welvaart.

Zolang politici de ‘sense of urgency’ van niet inzien en politieke partijen slechts strijden om de verdeling van onze welvaart zal onze economische welvaart en ons maatschappelijk welzijn niet toenemen en strijden wij in Nederland een verloren strijd. Overigens, om onze overheidsorganisatie van tienduizenden, misschien zelfs honderdduizenden overheidsdienaren te ontdoen is een zorgvuldig en politiek breed gedragen sociaal plan nodig. Het zal jaren duren om een dergelijke operatie zorgvuldig uit te voeren. Bovendien is het uit sociale en economische motieven verstandig deze operatie uit te voeren in een periode van hoogconjunctuur. We zouden daar nu eindelijk eens een keer mee kunnen beginnen in Nederland. Welke politieke partij neemt het initiatief?

John Boersma